actueel
July 1, 2026

Campus Vivorum, begraafplaats van de toekomst

De rouw van de nabestaande moet centraal staan. Dat is de achterliggende gedachte van Campus Vivorum, een project waar de begraafplaats van de toekomst wordt gepresenteerd. De invulling hiervan – waaraan ook de Nederlandse landschapsarchitect Bart Brands aan mee heeft gewerkt – is in het Zuid-Duitse Süßen te zien. STEENVAK nam een kijkje en kreeg een workshop aangeboden onder leiding van Max Geiger, een van de drijvende krachten achter het project.

Raum für Trauer. “Ruimte om te rouwen, dat is belangrijk voor nabestaanden. Daarom hebben wij het project Campus Vivorum genoemd. Letterlijk betekent dat ‘veld van de levenden’. Hier staat de rouw van de nabestaande centraal. Bij een uitvaartdienst in de kerk staat de overledene centraal, bij ons de nabestaande. Dat lijkt een revolutionaire gedachte, maar dat vinden wij niet. Het is slechts een kleine stap, een stap die ook wetenschappelijk onderbouwd is.” Aan het woord is Max Geiger. Samen met Günter Czasny zet hij zich in om de begraafplaats van de toekomst aan burgemeesters en gemeenteraadsleden in gemeenten en steden  in Duitsland ‘te verkopen’. In de ‘kas’ op het terrein van Kunstgiesserei Strassacker geeft hij uitleg in de vorm van een workshop.

Initiatief voor begraafplaats

Campus Vivorum is zo’n zesduizend vierkante meter groot en ligt naast het terrein van Kunstgieterij Strassacker. Het initiatief voor de begraafplaats van de toekomst is afkomstig van het familiebedrijf uit Süßen. Max: “De vraag die centraal stond was: kunnen wij onze medewerkers over twintig tot dertig jaar nog werk bieden? De aanleiding hiervoor waren ontwikkelingen die niet gunstig voor de kunstgieterij waren. Denk aan graven waarbij de gedenkplaat onder het grasniveau wordt geplaatst. De enige reden hiervoor is dat het onderhoud – het maaien van het gras rondom de gedenkplaten door over de gedenkstenen te maaien – gemakkelijker plaats kan vinden. Er is dus geen plek voor grafaccessoires, hooguit een  belettering. Keerzijde is ook dat de nabestaanden geen gedenkartikelen, kaarsen of bijvoorbeeld bloemen op de steen kunnen achterlaten. Iets wat ze wel belangrijk vinden, getuige de vele voorbeelden uit de praktijk. Voor het onderhoud moeten beheerders eerst alles wat op de stenen ligt weghalen. Dat verdwijnt vervolgens in de prullenbak. Dat steekt en raakt veel nabestaanden. Er moest iets veranderen.”

Op initiatief van Kunstgieterij Strassacker, stak iedereen die met begraven te maken heeft – begrafenisondernemers, begraafplaatsbeheerders, hoveniers, steenhouwers – de koppen bij elkaar. “De partijen schetsten de gedenkcultuur die er op dat moment – zo’n twintig jaar geleden – heerste”, vertelt Max. “Er werden veel bijeenkomsten georganiseerd, studiedagen gehouden. De conclusie was echter dat men de noodzaak nog niet erkende dat er iets moest veranderen. ‘Het gaat toch goed, we blijven toch wel een markt houden’, luidde vaak de conclusie. Men draaide in cirkeltjes, ook de specialisten hadden nog geen oplossing.”

Gedenksector snakte naar innovatie

De gedenksector snakte naar innovatie. “Innovatie heeft altijd mijn interesse gehad. Welke maatschappelijke ontwikkelingen leiden tot innovatie, maar ook welke zijn het gevolg van innovatie. Vanuit mijn achtergrond – ik heb studies sociologie en politieke wetenschappen gestudeerd – probeerde ook ik deze ontwikkelingen te verklaren. Dat heb ik bijvoorbeeld bij een grote autofabrikant in Stuttgart onderzocht. Welke mobiliteitsinnovaties spelen daar een rol? Deze bleken vooral geldgedreven en er werd vooral naar een korte periode gekeken, maximaal tien jaar vooruit. Van daaruit ben ik op een ministerie in Berlijn in het Digilab aan de slag gegaan. Innovaties bleken daar vooral politiek gedreven. De mensen daar kijken niet verder dan vier jaar vooruit, ze werden op korte termijn successen beoordeeld. Hun belang is herkozen worden bij de volgende verkiezingen.”

Tijdens een workshop ontmoette Max Günter Czasny. “Günter werkte als adjunct-directeur bij Strassacker. Hij nam mij mee naar begraafplaatsen, liet mij zien welke uitdagingen er lagen. En hij vertelde mij dat de gedenksector er zelf niet uitkwam, er was een frisse blik van buiten nodig. We hebben wetenschappers uit verschillende disciplines nodig, was zijn overtuiging.”

Alternatieven voor traditioneel begraven

In de tussentijd gingen de maatschappelijke ontwikkelingen rondom gedenken snel. Het aantal crematies nam enorm toe, begraven verloor aan populariteit. Alternatieven als natuurbegraafplaatsen werden geïntroduceerd. Ook columbaria werden gebouwd om urnen in te plaatsen. En in Duitsland kwamen meer anonieme graven op begraafplaatsen. Allemaal ontwikkelingen die ertoe leidden dat er steeds meer lege plekken op begraafplaatsen kwamen en dat het onderhoud en beheer daarvan steeds duurder werd. Max: “Aan de ene kant moest ervoor worden gezorgd dat begraafplaatsen een duidelijkere betekenis en functie krijgen, een plek om te rouwen voor de nabestaanden, en aan de andere kant moesten de kosten beheersbaar blijven. Om dat te bereiken organiseerde Kunstgieterij Strassacker meerdere interdisciplinaire en internationale workshops, waarin psychologen, sociologen, theologen, steenhouwers, uitvaartondernemers, hoveniers, landschapsarchitecten en trendonderzoekers samenwerkten. De landschapsarchitecten Bart Brands, Constanze Petrow en Kathrin Volk ontwikkelden vanuit hun vakgebied het idee voor een praktijklaboratorium, dat uiteindelijk uitmondde in Campus Vivorum.”

Wetenschappelijke erkenning voor rouwen

De bevestiging dat begraafplaatsen een grote rol kunnen spelen bij de verwerking van een verlies, kwam van de wetenschap. “Rouwen kreeg wetenschappelijke erkenning”, legt Max uit. “Er moet ruimte zijn om te rouwen – Raum für Trauer, voor het individu en het collectief”, zoals Günter het verwoordde – “in de fysieke betekenis in de vorm van bijvoorbeeld een openbare ruimte zoals een begraafplaats, maar ook in de maatschappelijke betekenis. Onderzoek wijst namelijk uit dat de arbeidsuitval door rouwen in Duitsland maar liefst enkele miljarden euro’s per jaar bedraagt. Door ruimte voor rouw aan te bieden, kun je dus ook besparen op de geestelijke gezondheidszorg”.

Dit heeft niet geleid tot het sturen van brandbrieven naar overheidsinstanties, maar door het brengen van een positieve boodschap aan steden en gemeenten en hun burgemeesters. “Als je jouw burgers een goede plek biedt om te rouwen, heeft dat een positieve invloed op het welbevinden van de inwoners van je gemeente”. Op deze manier heeft de economische drijfveer van Kunstgieterij Strassacker in zo’n dertig jaar tijd geleid tot een maatschappelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling die heeft geleid tot het initiatief Raum für Trauer en de Campus Vivorum.

Belevingsplek met helende en therapeutische werking

Op een hoger gelegen gedeelte naast de kunstgieterij van Strassacker is Campus Vivorum gecreëerd, een belevingsplek met helende en therapeutische werking, vertelt Max. Hij loopt voor richting de ingang van ‘de begraafplaats van de toekomst’. Voor de ingang vormen houten balken een afdak. “Hier kunnen mensen schuilen voor de regen, geborgenheid voelen, of samenkomen om de kist naar het graf te begeleiden”, legt hij uit. Bezoekers kunnen vervolgens over een groen stuk richting twee rijen houten palen lopen. “Dit is een kunstwerk dat is bedacht door de architecten Beate Hølmebakk en Per Tamsen van het in Oslo gevestigde bureau Manthey Kula. Zij hebben ook het herdenkingsmonument ontworpen ter nagedachtenis van de 77 slachtoffers die in Oslo en op het Noorse eiland Utøya gedood werden. Ze hebben hier in Süßen een verbindingslijn gecreëerd waar mensen elkaar ontmoeten en samenkomen. Een ‘ruimte’ afgebakend door eenvoudige houten balken, waar men niet doorheen kan. Dit maakt het verlangen naar een levenssituatie die niet langer bereikbaar is, tastbaar”, aldus Max.

Zintuigentuin voor de levenden

Veld van de levenden, luidt de vertaling van Campus Vivorum. “Het is ook echt een veld voor de levenden, de nabestaanden”, vertelt Max. “Bijvoorbeeld ook voor kinderen. Die reageren enthousiast op de zogenoemde zintuigentuin. Hier groeien onder andere planten en kruiden. Die kun je aanraken, je kunt eraan ruiken, je kunt het proeven. Hier kun je de groei, ontwikkeling en het uiteindelijke verval in de natuurlijke cyclus van een tuin observeren. Het ontwerp biedt nabestaanden een ondersteunende omgeving om te leven en om het leven te ervaren.”

Voorbij de zintuigentuin zijn de eerste voorbeelden te zien van het modulaire grafconcept van Campus Vivorum. “Het concept gaat uit van modules van 40 x 40 cm, gerangschikt in een regelmatig raster. Het zijn individuele grafpercelen die naar wens kunnen worden ontworpen en gebruikt.” Een veld verder is een voorbeeld te zien van een tuinachtige opzet. Max vervolgt: “Dit zijn tuinachtige grafpercelen, ontworpen met organische en geometrische concepten. De begraafplekken zijn thematisch en formeel harmonieus met elkaar verbonden. De gemeenschappelijke ruimte van de tuin kan worden onderhouden en verzorgd door de hovenier of de begraafplaatsbeheerder. De nabestaanden kunnen in een klein, voor hen afgebakend gebied bij de grafsteen uiting geven aan hun rouw, bijvoorbeeld door bloemen neer te leggen, kaarsen aan te steken en ook zelf beplanting aan te brengen. Zij mogen dit vrij beslissen, zonder dat het als een last wordt ervaren.”

Beschutte plekken voor afscheid

Voor een nabestaande die privé wil rouwen, is vaak geen plek op een begraafplaats met een traditionele rasterindeling van graven. Tussen de graven liggen grote lege ruimtes. “Die zijn in ons concept vervangen door kleinere, innovatief ingerichte grafpercelen. Deze zijn ingeklemd tussen  beplantingen van verschillende hoogtes. Zo ontstaan nieuwe, beschutte plekken voor afscheid. Deze ruimtelijke indeling creëert nieuwe, aantrekkelijke begraafplaatsen waarbij lege ruimtes worden opgenomen in een nieuwe structuur en weer een functie krijgen. Een eenvoudige ingreep voor bestaande begraafplaatsen”, verduidelijkt Max.

Andere velden laten verschillende voorbeelden zien hoe een bepaalde ruimte kan worden ingedeeld. “Er kan worden gekozen voor eenvormige gedenkobjecten, bijvoorbeeld door een gedenksteenplaat onder een kubus van brons te plaatsen. Of voor persoonlijk ontworpen grafmonumenten die in een natuurlijke omgeving opgaan”, vertelt hij, terwijl hij een aantal voorbeelden laat zien.

Even tot bezinning komen, of bijvoorbeeld overledenen herdenken die geen graf op de begraafplaats hebben. Daar is binnen het concept van Campus Vivorum ook plaats voor ingeruimd. Max geeft een aantal voorbeelden: “Je kunt alleen of met zijn tweeën op de brede houten stoel gaan zitten, luisteren naar het kabbelende water van de fontein achter je. Of je kunt plaatsnemen in een gedenk-, gebeds- en herdenkingsruimte, die individueel of gezamenlijk kan worden gebruikt. Je kunt hier boodschappen achterlaten, op een leistenen bord of door een brief in de speciale brievenbus te plaatsen. Deze brieven kunnen bijvoorbeeld tijdens een gezamenlijke ceremonie verbrand worden. Daarnaast kun je op een steen gaan zitten bij een biotoopachtig wateroppervlak, die de natuurlijke habitats van planten en dieren verbindt.”

Verschillende culturen hebben verschillende begrafenisrituelen

Op een bank van brons en cortenstaal staan de woorden ‘Kulture’, ‘Symbole’ en ‘Rituale’. Ervoor ligt een gouden bal in water. Er omheen symbolen van vuur, water, aarde en lucht, de vier klassieke elementen. Erboven hangen aan een stellage de symbolen van de grootste godsdiensten. Max legt uit: “Onze maatschappij kent verschillende culturen, die allemaal verschillende begrafenisrituelen hebben. Hier moet je als begraafplaats van de toekomst ook op inspelen. Wij attenderen mensen hierop en bieden hiervoor een suggestie.”

Max loopt langs een speeltuin met een zandbak en een ‘knikkersteen’. “Voor kinderen moet er ook een plek zijn. Een begraafplaats moet voor hen niet eng zijn. De ouders kunnen aan de lange natuurstenen tafel iets verderop de kinderen in de gaten houden, wat drinken met elkaar of andere mensen ontmoeten.”

Aan het eind van het park loopt de bezoeker door een ruimte die aan beide kanten ook is afgebakend door houten balken, eveneens een kunstwerk van de Noorse architecten Beate en Per. “Je kunt hier doorheen lopen en achteromkijken. Dan zie je de verschillende parkgedeelten en het landschap daarachter, als een belevingsruimte, die transformeren in een onbelemmerd uitzicht dat nieuwe kracht en vertrouwen moet geven”, besluit Max de rondleiding.

Campus Vivorum spannendste project

Terug in de ‘kas’ op het terrein van de kunstgieterij schuift initiatiefnemer Günter aan. Hij vertelt over een workshop die hij enkele dagen eerder heeft gehouden met de zeventigjarige Duitse futuroloog Matthias Horx en de psycholoog prof. dr. dr. Michael Lehofer.  “Horx is een autoriteit in Duitsland, werd veel als deskundige op tv opgevoerd. Hij vertelde zijn levensverhaal in een interview met Die Welt. In het artikel had hij het over Campus Vivorum. Hij noemde het ‘het spannendste project waar hij ooit bij betrokken is geweest’. Je kunt je wel voorstellen dat dit ons een enorme boost gaf. Ook de inzichten en het begrip van de rouwpsychologie, dankzij Michael Lehofer en zijn collega’s, vormden een belangrijke basis voor de nieuwe kennis. Zeker ook de erkenning die de wetenschap aan het fenomeen rouw gaf. Rouw is officieel opgenomen als indicatie voor ziekteverzuim. Een belangrijke stap, mensen weten nu dat ze niet gek zijn, maar dat rouw een realiteit is. Waar je de ruimte en de tijd voor moeten nemen.”

Het project Campus Vivorum heeft de interesse van de landelijke politiek gewekt en ook de landelijke media pikken het meer en meer op. “Sinds de opening van Campus Vivorum in 2023 hebben we meer dan tweehonderdvijftig groepen van belanghebbenden ontvangen. Niet alleen uit Duitsland, maar ook uit Nederland – een groep JOA-leden zijn hier op excursie geweest – Noorwegen en een delegatie uit Canada die daar een vergelijkbaar project willen opstarten. Ter gelegenheid van de opening van Campus Vivorum werd ook het bureau ‘Agentur Vivorum’ opgericht. Wij bieden workshops en planningsconcepten aan voor burgemeesters, steden, gemeenten en kerken en laten zien hoe begraafplaatsen opnieuw kunnen worden ingericht en mensgericht kunnen worden doorontwikkeld naar de toekomst. In Duitsland zijn er meer dan dertigduizend begraafplaatsen. Wij bieden oplossingen en kunnen gemeenten en kerken ondersteunen en begeleiden bij de ontwikkeling van hun begraafplaatsen. Daaronder valt bijvoorbeeld een uitgebreide analyse van de begraafplaats en het in kaart brengen van de zwakke punten, sterke punten en potentieel ervan. Ook de analyse en ontwikkeling van een prognose van de ontwikkeling van grafrechten en het aantal bijzettingen is een belangrijk onderdeel. Het is een zeer flexibel en dynamisch concept dat zich voortdurend verder ontwikkelt en waarbij de verwerking van rouw door nabestaanden centraal staat.”

Een mooi compliment kregen de initiatiefnemers van Bart Brands, de landschapsarchitect die onder andere de begraafplaats de Nieuwe Ooster in Amsterdam heeft ontworpen. “Hij zei dat hij veel begraafplaatsen had ontworpen, maar dat hij pas door de gezamenlijke uitwerking van Campus Vivorum had begrepen wat rouw werkelijk betekent,” aldus de bevlogen Günter.

Facebook
LinkedIn
WhatsApp
Email
Pinterest