actueel
June 9, 2026

Proefschrift Hendrik-Jan Tolboom: In de geest van het oude werk

Hendrik-Jan Tolboom, natuursteendeskundige van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), heeft voor STEENVAK een serie artikelen geschreven met als ondertitel ‘Steenhouwerslexicon, vaktermen en begrippen voor de steenhouwer’. Hij verhaalde hierin over de rijke natuursteenhistorie die Nederland kent. Deze verhalen kwam hij tegen tijdens het onderzoek voor zijn proefschrift met de titel In de geest van het oude werk. De restauratie van het natuurstenen erfgoed in Nederland tussen 1860 en 1980, dat hij afgelopen maart verdedigde.

Het proefschrift is de uitkomst van een onderzoek dat begon met de vraag waarom bij restauraties van historische gebouwen er aan het steen- en beeldhouwwerk in natuursteen van alles is veranderd: soms een andere vormgeving, vaak een andere afwerking en een andere steensoort dan wat er oorspronkelijk aanwezig was. Als eerste voorbeeld is de Gerfkamer bij de Sint-Janskathedraal in Den Bosch gebruikt. Dit gebouwtje vol steen- en beeldhouwwerk aan de noordoostkant van de kathedraal is in de afgelopen honderd jaar tot twee keer toe vrijwel geheel vervangen, in de jaren dertig van de vorige eeuw en even voor de eeuwwisseling. De vormgeving is daarbij wel min of meer steeds overgenomen, maar er is wel tot twee keer toe een andere steensoort en een andere afwerking gebruikt. Was de reden achter deze veranderingen dat de oorspronkelijke steen niet meer verkrijgbaar was en dat de steenhouwers en architecten niet meer wisten hoe steen- en beeldhouwwerk uitgevoerd moest worden? Uit het onderzoek is gebleken dat dit laatste zeker niet altijd het geval was. Er waren wel degelijk steenhouwers die hun vak verstonden. Steensoorten waren inderdaad soms niet meer verkrijgbaar, maar ook dan waren er nog verschillende mogelijkheden waaruit een keuze kon worden gemaakt en ook dan zien we weer dat de uiteindelijke keuze niet alleen werd bepaald door prijs en beschikbaarheid.

Integraal vervangen van oude natuursteen

Een belangrijk moment in het verhaal vormt de restauratie van het noordertransept van de Sint-Janskathedraal in Den Bosch die begon in 1860. In hoofdlijnen kwam deze restauratie neer op het integraal vervangen van de oude natuursteen aan de gevels en het vergaand reconstrueren van het aanzicht, waarbij ook het ontwerpen van nieuw steen- en beeldhouwwerk niet werd geschuwd. Steenhouwers die dit werk konden maken waren er nauwelijks en daarom werden er ook steenhouwers uit de groeves bij Bentheim betrokken. Door de slechte arbeidsomstandigheden bij het werken met zandsteen werden deze steenhouwers al gauw ziek. In de tussentijd werden er ook steen- en beeldhouwers uit Den Bosch en omgeving ingewerkt en opgeleid. Zo ontstond er bij de Sint-Janskathedraal een heuse bouwloods waar tot ver in de twintigste eeuw aan de restauratie werd gewerkt.

Na 1860 werd ook bij andere historische bouwwerken met restaureren gestart, zoals bijvoorbeeld bij de Domkerk in Utrecht en het stadhuis van Gouda. In de periode daarvoor werden ook wel werkzaamheden aan oude gebouwen verricht, maar vaak werd daarbij geen gebruik gemaakt van natuursteen. Parementwerk van natuursteen werd bijvoorbeeld vervangen door baksteen metselwerk en raamtraceringen werden vervangen in hout of gietijzer. Hele muurvlakken werden ‘hersteld’ door ze te pleisteren met cementmortels.

Het gebruik van natuursteen en de inzet van steen- en beeldhouwers om oude gebouwen te restaureren was dus in de negentiende eeuw aanvankelijk allerminst vanzelfsprekend. Met name door de inspanningen van Victor de Stuers (1843-1916) en Pierre Cuypers (1827-1921) werd deze praktijk aan het einde van de negentiende eeuw gemeengoed. De Stuers was in deze periode een hoge ambtenaar op het ministerie van Binnenlandse Zaken en zorgde er vanuit die positie voor dat het Rijk restauraties financierde. Om te controleren of dat geld goed werd besteed, schakelde hij architecten in, waarbij architect Pierre Cuypers wel het meeste van dit werk op zich nam.

De Stuers en Cuypers vonden dat natuursteen niet door baksteen, gietijzer, hout of mortel moest worden vervangen, maar dat bij restauraties gebruik moest worden gemaakt van natuursteen. Dat vroeg dus ook om de inzet van steen- en beeldhouwers. Nu was Cuypers behalve architect ook de oprichter en eigenaar van een werkplaats waar op industriële schaal nieuw werk werd gemaakt, vooral voor de bouw en inrichting van kerkgebouwen die Cuypers ontwierp. Door vakmensen werden daar de ontwerpen van de architect uitgevoerd in steen, hout en glas. En er bestonden meer van dit soort werkplaatsen, want er was grote behoefte aan nieuwe kerkgebouwen. De wijze waarop het steen- en beeldhouwwerk in deze ateliers werd uitgevoerd, is bepalend geweest voor de uitvoering van natuursteenrestauraties.

Gereedschap van de steenhouwer

Er wordt vaak gezegd dat het gereedschap van de steenhouwer vanaf de Romeinse tijd tot ver in de twintigste eeuw hetzelfde is gebleven, maar dat is niet helemaal juist. In de negentiende eeuw gebruikten de steen- en beeldhouwers andere gereedschappen dan in de middeleeuwen. Vooral de boucharde en de grendel waren belangrijke gereedschappen geworden, waarmee de steenhouwer zeer zuivere werkstukken kon maken. In de middeleeuwen werd nog gewerkt met puntbeitels, smalle ceselen en bijlen. Het is een misverstand om te denken dat daardoor in de middeleeuwen het steen- en beeldhouwwerk grof werd uitgevoerd, vaak is het juist uiterst verfijnd en aandachtig afgewerkt. Het volkomen vlakke en strakke werk dat in de negentiende eeuw in natuursteen werd gemaakt is echter van een andere orde. Eimert Sinoo (1880-1971), een steenhouwer en vakbondsman, schreef in 1926 dat het handwerk van de steenhouwer nog niet door machines was vervangen, maar deze deed wel de “grootste moeite om zijn werk zoo af te leveren, dat het er bijna uitziet als een machinaal product” (De Bouwer, 10 juni 1926).

Steenhouwers maakten hun werkstukken zo zuiver mogelijk en werkten de steen af met brede beitels en frijnslagen die allemaal even precies waren gelegd, als het niet werd vlak geschuurd of geschaafd. Nieuwe ornamenten werden seriematig zuiver gekopieerd naar geboetseerde modellen en leken zo uit een mal te komen. Er was niet meer aan af te zien dat het om handwerk ging.

Het maken van dit strakke werk werd ook nog eens mogelijk gemaakt door het gebruik van steensoorten die goed te bewerken waren en een fijne structuur hadden. Udelfanger zandsteen en Franse kalksteensoorten, zoals Saint-Joire, Reffroy, Euville en Savonnières waren steensoorten waarin het goed mogelijk was om een zeer zuiver, glad en strak werkstuk te maken. Deze steensoorten werden pas aan het einde van de negentiende eeuw in ons land als bouwsteen gebruikt en kwamen tot die tijd dus ook niet voor aan oude gebouwen. Ondanks dat werden ze bij restauraties om hun eigenschappen en beschikbaarheid als vervangende steen gekozen.

Drastische verandering begin twintigste eeuw

Dit typische karakter van het steen- en beeldhouwwerk dat tot in het begin van de twintigste eeuw werd gemaakt, werd in het begin van de twintigste eeuw meer en meer door monumentenzorgers bekritiseerd. Nadat Victor de Stuers overleed en Pierre Cuypers afscheid nam van zijn rol als adviseur bij restauraties, veranderde de uitvoering van het steen- en beeldhouwwerk dan ook drastisch. In 1918 werden het Rijksbureau voor de Monumentenzorg en de Rijkscommissie voor de Monumentenzorg opgericht. Een belangrijke rol binnen deze organisaties speelde Jan Kalf (1873-1954). Hij was directeur van het Rijksbureau vanaf 1918 en had ook zitting in de Rijkscommissie. Onderdeel van deze commissie was de zogenoemde afdeling B. Deze bestond uit een gezelschap van architecten, kunsthistorici, maar ook uit een schilder en een beeldhouwer. Zij vergaderden regelmatig en bespraken daarbij ingediende plannen voor restauraties.

Het is met name de beeldhouwer in deze commissie geweest, Arend Odé (1865-1955), die na 1918 zou gaan zorgen voor een andere uitvoering van steen- en beeldhouwwerk bij restauraties. Odé was behalve commissielid en beeldhouwer ook professor aan de Technische Hogeschool in Delft. Daar gaf hij les in boetseren, waarbij hij in zijn atelier in Delft door een aantal assistenten werd ondersteund. Het zijn deze assistenten geweest die door Odé vervolgens werden opgeleid om bij restauraties steen- en beeldhouwwerk te maken en om andere steenhouwers te laten zien hoe dit werk moest worden uitgevoerd.

In de praktijk betekende dat bijvoorbeeld dat één van de assistenten van Odé, Lukas van der Meer (1881-1949), in 1919 op de werf van de restauratie bij de Grote Kerk in Breda ging werken. Van der Meer moest daar verandering brengen in de wijze waarop het steen- en beeldhouwwerk werd uitgevoerd, want de Rijkscommissie had bij een bezoek aan de werf vastgesteld dat het werk veel te strak en levenloos was. Tot op heden is nog te zien waar Van der Meer met zijn werk begon; de afwerking van de steen is veel minder strak en ook het aanhouden van de mal werd losgelaten. De profielen en traceringen verlopen van vorm en lijken uit de hand te zijn gekapt.

Behalve Lukas van der Meer waren ook Nicolaas van der  Schaft (1893-1980) en Henri Etienne (1895-1968) door Odé opgeleid. En ook zij maakten natuursteenwerk voor restauraties en begeleidden de steen- en beeldhouwers bij hun werkzaamheden. Etienne deed dat bijvoorbeeld bij de restauratie van de Nieuwe Kerk in Delft, waar een ploeg steenhouwers was aangesteld van de Delftse firma Schols en ’t Hart, die overigens nog steeds bestaat. Etienne maakte ook opvallend modern vormgegeven ornamenten voor de Grote Kerk in Alkmaar. Omdat er geen oude ornamenten bewaard waren gebleven, vond men dat er nieuwe ontwerpen in een eigentijdse stijl mochten worden gemaakt.

Nicolaas van der Schaft ging vanaf 1920 onder andere werken bij het stadhuis van Middelburg en aan de Domtoren in Utrecht. Vanaf 1931 kwam Van der Schaft in dienst bij het Rijksbureau voor de Monumentenzorg. In die functie maakte hij ontwerpen voor beeldhouwwerk ten behoeve van restauraties en voerde hij dit werk soms ook zelf uit. Hij ging echter ook bij groeves steen keuren en begeleidde steenhouwers en beeldhouwers bij de uitvoering van hun werk.

Grof en levendig bewerkt

Wat opvalt aan het steen- en beeldhouwwerk uit de periode na 1918 is dat het vaak grof en levendig is bewerkt. Ornamenten werden vaak niet heel fijn gedetailleerd en met een getande beitel of smalle vlakke beitel afgewerkt. Ook bij het steenhouwwerk werden deze gereedschappen vaak gebruikt om de vlakken af te werken, soms ook in combinatie met een boucharde. Het resultaat van deze inspanningen is inderdaad vaak levendig en afwisselend waardoor het onmiskenbaar handwerk is. Door het gebruik van deze gereedschappen en technieken wijkt het echter ook meestal af van het oude natuursteenwerk aan de gebouwen die werden gerestaureerd.

Bij bijvoorbeeld de restauratie van een gevel aan de Breestraat van het oude stadhuis van Leiden omstreeks 1935 werden nieuw gemaakte blokken in de gevel met een tandijzer en ceseel afgewerkt, terwijl de oude blokken gefrijnd zijn met alleen een ceseel. Op een afstand voegt het oude en nieuwe werk zich goed samen, van dichtbij is het echter goed te onderscheiden.

Het levendige karakter van het steen- en beeldhouwwerk na 1918 werd ook nog eens versterkt door het gebruik van andere steensoorten, die vaak wat minder fijn van structuur waren en minder makkelijk te bewerken. Ettringer tufsteen werd op grote schaal als vervangsteen gebruikt, maar ook werd getracht om steen te gebruiken die overeen kwam met de steen die moest worden vervangen. Zo werd bijvoorbeeld weer zo veel mogelijk Ledesteen gebruikt bij restauraties, die indertijd beperkt werd gewonnen, maar soms ook verkrijgbaar was als tweedehands bouwmateriaal.

Steen- en beeldhouwwerk voor restauraties aparte tak

In de jaren na 1918 wordt de uitvoering van het steen- en beeldhouwwerk voor restauraties een aparte tak binnen het natuursteenbedrijf. Dit werd bewust in gang gezet en gestimuleerd door de monumentenzorg. Van der Schaft kreeg in 1949 een opvolger bij het Rijksbureau, Ad Slinger (1913-1984), en ook hij voerde zélf werken uit, maakte ontwerpen, adviseerde en begeleidde restauraties. Slinger had daarbij veel aandacht voor de uitvoering van het werk en de steenkeuze. Het boek Natuursteen in monumenten, verschenen in 1980, was de kroon op het werk van Slinger, die in hetzelfde jaar pensioen ging.

Nu we meer weten en begrijpen over de redenen waarom steensoorten en bewerkingen bij restauraties wisselden, dringt zich ook de vraag op wat dit betekent voor de huidige praktijk. In het onderzoek is daar niet op in gegaan, want het is een historisch onderzoek en geen beleidsstuk, maar inmiddels zijn restauraties uit het verleden al weer aan de beurt om opnieuw te worden gerestaureerd en dringt de vraag zich op hoe deze moeten worden uitgevoerd. Met welke steen en met welke technieken? Zeker nu het aanbod van steensoorten weer is veranderd en nieuwe technieken beschikbaar zijn om natuursteen te bewerken.

De inzichten van mensen als Victor de Stuers, Pierre Cuypers, Arend Odé, Jan Kalf en de werken van Nicolaas van der Schaft en Ad Slinger, samen met al die beeldhouwers en steenhouwers die we vaak niet eens meer bij naam kennen, dwingen respect af en inspireren om op zijn minst stil te staan bij de opgave alvorens een stuk natuursteen voor een restauratiewerk gereed gemaakt wordt. Het resultaat van deze werken kan een monument van de ondergang redden, maar ook grondig verpesten. Ik hoop dat door het lezen van dit proefschrift niet alleen de huidige maar ook toekomstige generaties beter raad weten met de opgave die voor hen ligt.

Facebook
LinkedIn
WhatsApp
Email
Pinterest